Don Sebastian, een pampa mesayoq (sjamaan) uit Q’iqo, Q’eros

Als u dit gezicht ziet, doet dat wat met u, of doet u er iets mee?

Wat doet dit met jou?

“Wat doet dit met jou?”

Deze vraag hoor je te pas en te onpas. In mijn ogen is de vraag onzinnig en erger nog, psychisch gevaarlijk. Zhabkar laat ook zien dat er niets is dat iets met ons doet. Dat kan ook niet eens. Wij mensen zijn degenen die iets doen met wat wij ontmoeten.
Waarom is deze vraag zo onzinnig en zelfs gevaarlijk?
Als er iets zou zijn dat iets met ons doet, dan gaat het buiten ons om en hebben wij er geen invloed op. Daarmee creëert dat slachtofferschap. Dat wil niet zeggen dat ons niets kan overkomen. Dat kan wel en gebeurt ook dagelijks, maar onze reactie erop wordt niet bepaald door de gebeurtenis in de zin dat de gebeurtenis de reactie beheerst, maar wordt bepaald door onze structuur, de wijze van hoe wij in elkaar zitten. Dat is hoe wij geworden zijn zoals wij geworden zijn. Want als iets wat doet met ons, hoe staat het dan met onze autonomie en met onze vrije wil? Kunnen wij ons nog wel verweren als er iets is dat iets met ons doet? Stel dat u elke keer dat u op de snelweg gesneden worden in blinde woede uitbarst. Hoe staat het dan met uw autonomie?

Zhabkar zegt het zo in Lied 10:
40. Toen Devaputra aan de Boeddha vroeg
Wie de berg Meru, de zon, de maan en al die dingen gemaakt had,
Gaf hij als antwoord:
“Zij hebben geen andere maker dan de vasana’s,
De stupide stolling van de karmische zaden van het denken zelf
45. Dat er een etiket op plakt, daarna er een oordeel over heeft en zo wordt het een manifestatie.
Ik zeg je dat alles is gemaakt door de geest zelf.”
Toen daarna Devaputra de Boeddha vroeg:
“Ofschoon het denken zelf dus zo tot reïficatie leidt in de vorm van
De berg Meru, de zon, de maan, waar komt het dan vandaan
50. Dat zij op zo’n manier vast en stevig zijn?”
Antwoordde de Boeddha:
“In Tharanasi was eens een oude vrouw die haar eigen lichaam
Als een tijgerin visualiseerde en
Nadat zij door de stad als tijgerin was gezien, liep de stad leeg.
55. Indien het mogelijk is iets in zo korte tijd te manifesteren,
Zijn de sedert beginloze geboorten bestaande karmische impressies van de geest, als gevolg van training,
Zeker in staat dergelijke dingen als de berg Meru en zo meer te doen manifesteren.”
Zo sprak de Boeddha.
Derhalve: alles is gemaakt door de geest.

En als alles gemaakt is door de geest is er ook niets anders dan de geest die er iets mee kan doen.
‘Iets’ doet dus niets met u en mij. Dit idee verlaten en aan te nemen dat ‘iets’ wel iets doet, betekent accepteren dat u weerloos bent en slachtoffer van ‘iets’, wat dat ook maar mag zijn. Daarom is het een gevaarlijke uitspraak. Wat het laat zien is dat taal niet slordig gebruikt mag worden.

PS Een lezer merkte op: Is er dan geen wederkerigheid en bepaalt die niet wat er gebeurt? Is dat niet het Mysterie van opgenomen zijn in grotere gehelen waarvan wij de reikwijdte niet kunnen peilen? De realiteit voorbij de dualiteit verbindt ons zo met de zandkorrels op Mars. Een paradox!

De paradox is voor mij dat wij niet weten en ook niet kunnen weten hoe wat iemand zegt weer een ander inspireert. Dat kan doorgaan in een eindeloze keten die wat mij betreft inderdaad reikt tot de zandkorrels op Mars. Maar om een gedachte te formuleren en te zeggen moet er een geest zijn, en om het gezegde te kunnen verwerken moet er eveneens een geest zijn die in staat is om de verwerking op een zinvolle manier te doen. Als ik hierna een prachtig gedicht in het Quechua schrijf, kunt u daar niets mee, zolang u geen Quechua beheerst. Wederkerigheid bestaat mijns inziens alleen op het niveau van een overeenstemmend consensueel domein. Wat wij inderdaad niet weten waar domeinen consensueel zijn en met elkaar resoneren. Dat is een mysterie en misschien wel hét mysterie. In mijn voorbeeld is het eenvoudiger, want wij kennen beiden Nederlands en dat is een consensueel domein. Maar wat u maakt van mijn tekst kan iets heel anders zijn dan ik bedoelde en dat geheel afhankelijk van uw structuur.

Zhabkar zegt dat zo in Lied 18 regel 38/9:
Hoewel zij de ware leer gehoord hebben, toch hebben zij slechts onzin begrepen, het is dolend denken.
Hoewel zij dingen begrijpen, is het meditatieve ijdelheid, door de rationele geest gemaakt.

De ware leer heeft niets men hen gedaan, zij hebben die niet begrepen, en hieruit blijkt nogmaals dat zelfs de ware leer niets met u doet. Het is al prachtig dat wij soms in staat zijn om iets daarvan te herkennen, maar alleen, zo zegt Zhabkar, als u geoefend hebt.